Last edited 02-03-2008

![]()
[Home] [Welcome] [Boys] [Girls] [Puppies] [Foto's] [Links] [Guestboek] [Newfoundland]
![]()

FCI Standaard: NO50/06-11-1996/GB
Publicatiedatum thans geldende standaard: 19-10-1996
Classificatie volgens FCI: Groep 2; Pinchers,Schnautzers en Molossers,
Zwitserse Sennehonden en veedrijvers. Sectie: 2.2
Land van Herkomst: Canada
Gebruik: Sledehond voor zware lasten, waterhond
Historie van ontstaan:
Het ras ontstond op het eiland Newfoundland uit inheemse honden en de grote zwarte berenhond,
geďntroduceerd door de Vikingen rond het jaar 1100.
Met de komst van Europese vissers kwam er een verscheidenheid aan nieuwe rassen binnen op het
eiland, die mede het ras vormden en versterkten waarbij de originele eigenschappen bewaard bleven.
Met de kolonisatie van het eiland vanaf 1610 was de newfoundlander al grotendeels in bezit
van zijn kenmerkende uiterlijk en aangeboren gedrag. Deze kenmerken stelden hem in staat de
strengheid v.h. extreme klimaat en de tegenwerking van de zee bij het aan land slepen van
zware lasten te weerstaan of te dienen als water- en reddingshond.
Algemeen voorkomen:
De Newfoundlander is zwaar met een krachtig lichaam, goed gepierd en goed gecoördineerd in
zijn bewegingen.
Belangrijke verhoudingen:
de lengte van het lichaam, gemeten vanaf het boeggewricht tot aan de zitbeenknobbel
is groter dan de hoogte van de schoft.
Het lichaam is compact. Het lichaam van de teef mag iets langer zijn en is iets minder
zwaar dan dat van de reu. De afstand van de schoft tot de onderzijde van de borst is iets
groter dan de afstand van de onderzijde van de borst tot aan de grond
Gedrag en temperament:
De expressie van de Newfoundlander weerspiegelt welwillendheid en zachtheid. Waardig,
creatief en opgewekt. Hij staat bekend om zijn onvervalste moedigheid en rust
Hoofd:
Massief. Het hoofd van de teef is minder massief als dat van de reu.
Achterhoofd:
schedel: Breed met licht gewelft schedeldak en sterk ontwikkelde achterhoofdsknobbel.
Stop: duidelijk aanwezig, maar nooit geprononceerd.
Aangezicht:
Neus: Groot, goed gepigmenteerd, neusvleugels goed ontwikkeld.
Kleur: Zwart bij zwarte en wit/zwarte honden, bruin bij bruine honden.
Voorsnuit: Duidelijk, diep en matig kort, bedekt met kort fijn haar en vrij van plooien.
De mondhoeken zijn zichtbaar, maar niet te uitgesproken.
Lippen: Zacht
Gebit: Scharend of tanggebit
Ogen: Betrekkelijk klein, matig diepliggend.
Ze staan ver uiteen en vertonen geen uitgezakt ooglid.
Kleur: Donkerbruin bij zwarte en wit/zwarte honden, lichtere schakeringen
bij bruine honden toegestaan.
Oren: Betrekkelijk klein, driehoekig met afgeronde punten, goed naar achteren
geplaatst en aanliggend tegen de zijkant van het hoofd. Wanneer het oor van de
volwassen hond naar voren word gebracht, reikt tot aan de binnenste ooghoek van
het oog aan dezelfde kant
Hals:
Sterk, gespierd, goed in de schouders overgaand en lang genoeg om het hoofd
waardig te dragen. De hals mag geen overdadige keelhuid tonen.
Lichaam:
Het gehele skelet is zwaar. Gezien van opzij is het lichaam diep en krachtig.
bovenbelijning: Vlak en stevig van de schoft tot aan het kruis.
Rug: Breed.
Lendenen: Stevig en goed bespierd.
Kruis: Breed en hellend onder een hoek van ongeveer 30 graden.
Borst: Breed, vol en diep met geod gewelfde ribben.
Buik- en onderbelijning: Bijna horizontaal en nooit opgetrokken.
Ledematen:
Voorhand: De voorbenen zijn recht en evenwijdig, ook als de hond in stap
gaat of langzaam draaft.
Schouders: Zeer goed gespierd en goed schuin geplaatst.
Ellebogen: Goed aangesloten aan de borst.
Middenvoeten: iets schuin.
Voorvoeten: Groot en in verhouding tot het lichaam, mooi rond en compact
met stevige gesloten tenen, vliezen tussen de tenen zijn aanwezig.
Achterhand:
Omdat stuwkracht voor het trekken van lasten, voor het zwemmen, of voor het
doelmatig voort te bewegen voornamelijk afhankelijk is van de achterhand, is de
bouw van de Newfoundlander van het grootste belang. Het bekken moet daarom
sterk, breed en lang zijn.
Bovenbenen: Breed en gespierd
Kniegewricht: Goed gehoekt, maar niet zodanig dat het een gedrukte verschijning
oproept.
Onderbenen: Krachtig en tamelijk lang.
Hakken: Betrekkelijk kort, goed laag, goed uiteen en evenwijdig aan elkaar. Ze draaien
nooit naar binnen, noch naar buiten.
Achtervoeten: Stevig en goed gesloten. Hubertusklauwen dienen, indien aanwezig, te
zijn verwijderd.
Staart:
De staart fungeert als roer wanneer de Newfoundlander zwemt, daarom is hij sterk
en breed bij de aanzet. Staat de hond, dan hangt de staart omlaag met misschien een
lichte buiging aan het eind en reikt tot op of iets onder de sprong. Wanneer de hond
gaat of opgewonden is, dan wordt de staart recht naar achteren met een licht
opwaartse bocht gedragen. maar nooit over de rug gekruld of tussen de benen
gedragen.
Gang/Beweging:
De Newfoundlander beweegt met goed uitgrijpen van de voorbenen en met een sterke
stuwkracht vanuit de achterhand, daarbij de indruk gevend van eindeloos vermogen.
Een lichte rol van de rug is normaal. Indien de snelheid toeneemt, neigt de hond
naar éénsporigheid waarbij de bovenbelijning vlak blijft.
Vacht:
de Newfoundlander heeft een waterafstotende dubbele vacht.De bovenvacht is tamelijk
lang, sluik, zonder krul. Een lichte golving is toegestaan. De ondervacht is zacht en dicht,
dichter in de winter dan in de zomer, maar altijd in zekere mate aanwezig op borst
en kruis. Het haar op het hoofd, de voorsnuit en oren is kort en fijn. De voor-
en achterbenen zijn bevederd. De staart is volledig bedekt met lang dicht haar,
maar vormt geen vlag. Trimmen en bijknippen word niet aangemoedigd.
Kleur: Zwart, wit/zwart en bruin.
Zwart: De traditionele kleur is zwart, de kleur moet
zoveel mogelijk egaal zijn, maar een lichte zweem van bruin is toegestaan.
Witte aftekeningen op borst, tenen en/of staartpunt zijn toegestaan.
Wit/zwart: deze kleur is van historische betekenis voor het ras. Voor de
aftekening gaat de voorkeur uit naar een zwart hoofd met bij voorkeur een witte
bles doorlopend tot op de voorsnuit, een zwart zadel met gelijke aftekeningen
en een zwart kruis doorlopend tot op het bovenste deel van de staart.
De overige delen van het lichaam moeten wit zijn en mogen een minimale "ticking"
vertonen.
Bruin: De bruine kleur loopt van chocolade- tot bronskleur. Witte aftekeningen
op borst, tenen en/of staartpunt zijn toegestaan.
Wit/zwarte en bruine honden moeten in dezelfde klasse worden voorgebracht
als de zwarte.
Groote en gewicht:
de gemiddelde schofthoogte is voor volwassen reuen: 71 cm (28 inches)
voor volwassen teven: 66 cm ( 26 inches).
Het gemiddelde gewicht is voor reuen: ongeveer 68 kg.
en voor teven: ongeveer 54 kg.
Groot formaat is gewenst, maar mag niet worden bevoordeeld boven verhoudingen,
algehele "soundness" , zware bouw en correct gangwerk.
Fouten:
Ieder afwijking van de voorgaande punten moet als een fout worden beschouwd
en de ernst waarmee de fout moet worden beoordeeld is recht evenredig
met de mate van de fout.
-Algemene verschijning: Hoogbenig, gebrek aan massa.
-Algemene botstructuur: Plompe verschijning, fijn bone.
-Karakter: Agressiviteit, schuwheid.
-Hoofd: Smal
- Voorsnuit: Puntig of lang.
-Lippen: Geprononceerd.
-Ogen: Rond, uitpuilend, gele ogen, uitgezakt onderooglid.
-Rug: Karperrug, zwakke of doorgezakte rug.
-Staart: Kort, lang, knikstaart, gekruld uiteinde.
-Voorhand: Zwakke middenvoet, spreidtenen, naar binnen of naar buiten draaien
van de voorvoeten, ontbreken van de vliezen tussen de tenen.
-Achterhand: Steile knieën, koehakken, O-benen, naar binnen gedraaide voeten.
-Gang/beweging: Dribbelen, sloffen, krabben, te nauw gaan, breien, kruisen,
naar buiten of opvallend naar binnen draaien van de voorvoeten,
extreem optrekken van de voorbenen, telgang.
-Haar: Geheel open vacht, gebrek aan ondervacht.